![]() |
ZIJAANZICHT + BOVENAANZICHT: De reductiekast staat vast op zijn sokkel, volledig aangesloten. De bevestigingsbouten van de motor zijn met de hand aangedraaid aan de voetplaat. De bevestigingsbouten van de voetplaat zijn eveneens met de hand aangedraaid in de bodem. De indikaties "R" zijn op de flenzen van de koppeling (M1 & M2) aangebracht. M1: flens van de reductiekast M2: flens van de motor |
![]() |
|
![]() |
ZIJAANZICHT + BOVENAANZICHT Wij plaatsen een meetklok op de flens M1 en meten op het vlak AB van M2. Wij lezen de waarden L1 af op 9h, 3h, 6h & 12h bij het gelijktijdig ronddraaien van beide assen. Het parallellisme van beide assen is bekomen wanneer de 4 aflezingen gelijk zijn. Dit wordt bekomen door verschuivingen in het horizontale vlak en het opblokken in het verticale vlak. De blokken "k" kunnen zowel onder de motorvoeten als onder de motorsokkel geplaatst worden. De schets hiernaast toont de situatie na deze afstelling. De verschillen "h" en "d" zijn nu meetbaar. |
![]() |
|
![]() |
ZIJAANZICHT + BOVENAANZICHT De meetklok wordt op de buitenzijde van de flens M1 geplaatst en men meet op de buitenzijde AC van de flens M2. Wij lezen de verschillen van concentriciteit af bij 1 omwenteling van beide assen. De afwijking "d" tussen 3h en 9h en de afwijking "h" tussen 6h en 12h. Het aanpassen gebeurt door verschuiven voor "d" in het horizontale vlak en het opblokken voor "h" in het verticale vlak tot de uitlezing overal gelijk is. Zo bekomt men de concentriciteit en het samenvallen van beide assen. Het opblokken "h" gebeurt tussen de motorvoeten en de voetplaat. De tekening hiernaast toont het eindresultaat. De toleranties zijn toepassingsgebonden en zijn eveneens afhankelijk van de eigenschappen van de koppeling. |
![]() |