Tandcorrecties - terminologie

  1. Ondersnijding
  2. Wanneer het tandaantal van een volgens het afwikkelsysteem gefreesd tandwiel onder het grensgetal ligt (32 voor drukhoek 14°30' en 17 voor drukhoek 20°00’) ziet men dat de tandvoet een uitholling vertoont; hoe kleiner tandaantal, hoe groter de uitholling.
    In de courante gevallen wordt deze slechts als hinderlijk beschouwd voor tandaantallen < 17 voor drukhoek 14°30' en < 12 voor drukhoek 20°, omdat er vanaf deze grens een merkbare verzwakking van de tandvoet optreedt en een belangrijk gedeelte van de evolvente flank weg gefreesd is onder de steekcirkel; zodat dit gedeelte van de flank geen kontact meer heeft tijdens de ingrijping.
    Daaruit volgt, vooral voor grotere omtreksnelheden, een minder goede werking van het tandwielpaar, gekenmerkt door geruis, trillingen, een vluggere sleet en natuurlijk een mindere weerstand tegen breuk.
    Om voor kleine tandaantallen de ondersnijding te vermijden en betere ingrijpingsvoorwaarden te bekomen, zonder zijn toevlucht te moeten nemen tot abnormale drukhoeken, past men tandcorrectie toe.

     
    Het minimum aantal tanden, onder dewelke de ondersnijding begint, berekent men met volgende formule:
    zmin =

  3. Ingrijpquotiënt - e

  4. Het ingrijpquotiënt is de verhouding van de lengte van de ingrijpboog tot de normaalsteek. Een regelmatige ingrijping vereist de ingrijping van de 2 volgende tanden voordat de voorgaande elkaar loslaten.
    Dit is de reden waarom men het ingrijpquotiënt naziet zich steunend op het aantal tanden, de hoogte van de tand en de drukhoek
    e = >1
    Deze verhouding vergroot met de kophoogtes en ook met de steekcirkelmiddellijn van een der tandwielen, maar vermindert met de toename van de drukhoek.
    De algemene formule : ea = .

  5. Naderingslengte
  6. De ingrijplijn omvat een naderings- en een verwijderingsgedeelte. Het naderingslengte is het deel tussen het eerste contact en de pool gelegen op het snijpunt van de verbindingslijn van beide steekcirkelmiddelpunten en de ingrijplijn. Deze periode is de minst gunstige van de ingrijping ten gevolge van de glijding van beide profielen. De glijding vermindert naarmate men de pool nadert.

  7. Verwijderingslengte:


  8. Het omgekeerde van de naderingslengte.

  9. Specifieke glijding:


  10. De verhouding van het glijden tot het rollen, in de pool is de glijding nul.

  11. Drukhoek :


  12. Voor de cilindrische tandwielen is de drukhoek de hoek gevormd door de ingrijplijn en de verbindingslijn der rotatiepunten (de tangentiële tussen de 2 basiscirkels).

  13. Roloppervlakken:


  14. Zijn de oppervlakken van 2 elementen van een vertanding die over elkaar rollen zonder glijden. Hun diameters zijn proportioneel met het aantal tanden.

     
  15. Asafstand – a:


  16. Afstand tussen beide middelpunten van de steekmiddellijncirkels

  17. Vertandingssteekcirkel :

  18. Gedurende het frezen van een tandwiel volgens de afwikkelmethode, rolt de steekcirkel zonder glijden op de steekcirkellijn of vlak van de afwikkelfrees. De werklijn van de vertanden is tangentieel aan de basiscirkel van het tandwiel en staat loodrecht op het profil van de frees.
  19. Normaal vertanding :

  20. Vertanding bekomen door het frezen van de vertanding van het tandwiel volgens de steekcirkellijn van het tandwiel. Bij het verwaarlozen van de tandspeling, is de tanddikte op de steekcirkel gelijk aan de helft van de steek

  21. Gecorrigeerde vertanding :
  22. Vertanding bekomen door het frezen van de vertanding van het tandwiel afwijkend van de steekcirkellijn van het tandwiel. Op de steekcirkellijn van het tandwiel zal de tanddikte afwijken van de helft van de steek.